AfdrukkenE-mail

Het Nederlandse welzijnsbestel op de schop - verslag

Op vrijdag 14 oktober 2011 vond in het Centraal Museum Utrecht de conferentie 'Het Nederlandse welzijnsbestel op de schop' plaats, georganiseerd door de Nestorkring voor nestoren en gasten. Eva van Teeseling doet verslag.

Vrijdag 14 oktober 2011. Zo'n dertig nestoren en twintig gasten uit het welzijnswerk ontmoeten elkaar in het Centraal Museum te Utrecht. De conferentie heeft een fascinerend thema: burgerkracht. Hoe ontsnapt het Nederlandse welzijnsbestel uit de verstikkende wurggreep waarin gemeenten en welzijnsinstellingen verzeild zijn geraakt? Een actueel thema waarover veel wordt gesproken en gediscussieerd in het veld.

In 2012 krijgt de gigantische decentralisatie van sociale functies zijn beslag. De gemeenten krijgen het meer voor het zeggen, met minder middelen. Dit is dan ook het juiste moment om de organisatie en de legitimering van het welzijnswerk kritisch tegen het licht te houden.

Burgerkracht

Na het openingswoord van Cees Stal, voorzitter van de Nestorkring, volgen twee presentaties. De eerste spreker is Jos van der Lans, al 25 jaar commentator van de publieke sector. Jos van der Lans is co-auteur van het essay 'Burgerkracht – de toekomst van het sociaal werk in Nederland', dat de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO) in april 2011 publiceerde.
De toekomst van de welzijnssector is allerminst zeker. In zijn huidige vorm voldoet het welzijnswerk niet meer. Institutioneel en financieel staat de welzijnssector voor de opdracht om tot een nieuw model van welzijnswerk te komen. Maar hoe moet dat model eruitzien en welke wijzigingen in het huidige stelsel zijn daarvoor nodig?

Systeemwereld dominant

In zijn presentatie over verleden en toekomst van het welzijnswerk spreekt Jos van der Lans over een 'moment van transitie'. "Juist door de decentralisatie en de bezuinigingen op de sector is dit een cruciaal moment. Het welzijnsbestel moet op de schop. We moeten andere instituties neerzetten", stelt Van der Lans.
In een historische terugblik gaat Van der Lans in op het veranderde denken over sociaal werk door de eeuwen heen. Aanvankelijk was dat uitgesproken betuttelend en moraliserend. Sociaal bewogen leden van de gegoede burgerij zouden die 'arme paupers' wel eens wat plichtsgevoel, orde en tucht bijbrengen. Dat veranderde in de jaren zestig. Genade werd recht en de moraliserende toon verdween. In de jaren zeventig is de welzijnssector explosief gegroeid. Professionals kwamen in de plaats van de vele vrijwilligers, voorheen de dragende kracht van het welzijnswerk. "De professionals trokken zich terug in de instituties en gingen zich specialiseren. Toen deze systeemwereld dominant werd, verdween de burger uit beeld als actieve, bepalende kracht. De burger is nu nog slechts een 'rechthebbende consument'."

Diepe kloof

Het welzijnswerk is een afstandelijke en onpersoonlijke wereld geworden, die ver af staat van de wereld van burgers. De kosten van het topzware apparaat zijn gigantisch gestegen, vooral door al die medewerkers die niet aan de basis staan. De overheid als geldschieter stelt regels en eist verantwoording in de vorm van veel, heel veel informatie. De bureaucratie, verkokering en verzakelijking van welzijnsorganisaties hebben geleid tot een diepe kloof met de burgers. Zij spreken zelfs elkaars taal niet. Van der Lans illustreert dit met voorbeelden van woorden uit de systeemwereld en uit de leefwereld van burgers. "We maken van eenvoudige oplossingen ingewikkelde problemen", verzucht hij.

Gezocht: generalisten voor de frontposities

De instituties zitten in een crisis, ze zijn hun gezicht kwijtgeraakt, stelt Van der Lans vast. "De burger is onvoldoende in beeld. Overheid en welzijnsinstellingen kijken vooral naar elkaar, niet naar de burger. Toch is een centrale positie voor de burger cruciaal. Juist in een tijd van forse bezuiniging is het noodzakelijk dat mensen weer zelf hun welzijnswerk gaan organiseren.
Van der Lans schetst in zijn betoog de situatie dat de overheid zich grotendeels terugtrekt. Welzijnswerkers hebben zich gespecialiseerd en zitten nu verscholen achter een loket. Deze trend moet worden gekeerd. In plaats daarvan is er behoefte aan generalisten. Denk bijvoorbeeld aan de wijkcoaches, die actief de wijken in gaan, de mensen van de opvoedpoli's van de Jeugdzorg. Dit zijn de welzijnswerkers die zich daadwerkelijk manifesteren in de leefwereld van de burgers. Dit is de eerste lijn van professionals die dicht bij de burgers staan en hun taal spreken. Maar die ook de meer gespecialiseerde hulp kunnen inroepen als dat nodig is. "In deze frontposities zijn generalisten nodig."

Ont-institutionaliseren

Laat eindelijk ruimte aan de burger en concentreer je als overheid op degenen die onze aandacht het hardst nodig hebben: kwetsbare burgers, betoogt Van der Lans. In het Welzijnswerk Nieuwe Stijl wordt de overhead klein gehouden en zijn er geen wachtlijsten. Instituties openen zich voor burgers en nemen een houding aan van professionele dienstbaarheid. Instituties moeten zich realiseren dat ze niet zonder burgers kunnen. Zij hebben niet langer het monopolie op de oplossingen in handen. "We moeten de publieke zorg zó organiseren dat de kracht van burgers weer tot zijn recht komt. Ont-institutionaliseren. Op veel terreinen hebben we die instituties helemaal niet nodig. We moeten terug naar die zaken die echt belangrijk zijn voor mensen die hun leven willen veranderen. Dat is allereerst de sociale omgeving: je familie, je naasten, je netwerk. Die laten we nog te vaak onbenut."

Groot zijn om klein te blijven

Als tegenspreker treedt Hans Zuiver op. Hij is directeur van Combiwel, de grootste welzijnsorganisatie in Amsterdam. Bij Combiwel werken zo'n 650 medewerkers in onder meer het buurtwerk, jongerenwerk, ouderenwerk, opvoedingsondersteuning en maatschappelijke dienstverlening. In grote lijnen onderschrijft Zuiver de standpunten van Jos van der Lans en zijn schets van de uitdagingen waar de welzijnssector op dit moment voor staat. Toch denkt hij wel dat er een positieve rol is weggelegd voor instituties als Combiwel.

"Ons motto is: groot zijn om klein te willen blijven. Natuurlijk wordt er kritisch naar grote jongens als Combiwel gekeken. Dat is terecht." Zuiver schetst de spagaat waar veel welzijnsorganisaties in zitten: hoe organiseer je de zaken zo efficiënt mogelijk, handel je in opdracht van de klant, maar voldoe je tegelijkertijd aan de eisen die de overheid stelt? "De overheid is gaan bepalen wat goed is voor de mens. Wij worden dan een soort productiebedrijf, waar de overheid 'producten' inkoopt om dat goede te realiseren. Bij dat samenspel tussen gemeente, welzijnsinstelling en professionals komt de burger buitenspel te staan. Dat is wat we willen veranderen."

Ontwikkelingswerk

Bij Combiwel gaat het roer om. De professionals daar willen geen productleveranciers zijn, maar ontwikkelingswerkers, zegt Zuiver. "We kijken: waar zit de kracht van die burger, en hoe kan ik die benutten? Als maatschappelijk ondernemer zijn we aanjager van ontwikkelingen op buurtniveau. Wij zijn geen productiebedrijf, of winkel met een aanbod van producten. Bij ons kunnen burgers als eigenaar van specifieke thema's zelf werken aan oplossingen. Wij, als Combiwel, faciliteren die initiatieven alleen maar."

Levendige discussie

Na de koffiepauze barst de discussie los, onder leiding van nestor Wil Jacobs. Niet alleen de nestoren, maar ook de aanwezige bestuurders en managers zitten op het puntje van hun stoel en willen graag een duit in het zakje doen. Reacties uit de zaal gaan over generalisten en specialisten, hulpverlening in de eerste en tweede lijn, de rol van de overheid en de wenselijkheid van een collectieve infrastructuur van het welzijnswerk, om sociale problemen te voorkómen. Nestoren zijn benieuwd naar de cultuuromslag die nodig is binnen welzijnsinstellingen en het welzijnsbeleid van kleine gemeenten. Het is duidelijk dat dit onderwerp de aanwezigen aan het hart gaat en dat de twee prikkelende presentaties veel hebben losgemaakt bij het gezelschap.

Tegengas durven geven

Voorzitter Cees Stal besluit de conferentie met een korte samenvatting. Hij gaat in op de vier belangrijke spelers in de wereld van het welzijn: de overheid, de welzijnsinstelling, de medewerkers en de burger.
"De instituties zijn naar binnen gericht. Ze zijn steeds groter en bureaucratisch geworden. Een aantal instellingen hebben geconstateerd dat deze slaafse, door financiering gedreven opstelling niet leidt tot tevreden burgers. Conclusie: het moet anders. Minder letten op de financier en meer kijken naar de burger. Instellingen als Combiwel zijn hier al mee bezig. Ze gaan de boer op, ze zoeken de burger op in zijn eigen omgeving."
Binnen de welzijnsorganisaties hebben de generalisten een sleutelrol. Zij staan aan het front. De specialisten moeten achter het hek blijven. "De burger moet niet meer worden benaderd als de passieve consument. Hij is een volwassen individu die in principe veel zelf kan, maar soms geholpen moet worden. We willen dat hij zelf actief op zoek gaat naar wat hij denkt nodig te hebben."
Cees Stal hoopt dat het welzijnswerk er over twee of drie jaar fundamenteel anders uit ziet: "Mogelijk hebben we dan een welzijnswerk dat werkelijk tegemoet komt aan de noden van de burgers. Dicht bij huis en aangepast aan de wensen van de burger. Wie durft tegengas te geven en het profiel van de welzijnsorganisaties aan te passen?'

Tot besluit

Na de conferentie kunnen de nestoren en de gasten nog even napraten onder het genot van een hapje en een drankje. Een goede gelegenheid om te netwerken en terug te kijken op een geslaagde middag met een boeiend inhoudelijk programma.

ster